Peuterspeelzalen   Kinderdagverblijven   
                 
           Eerste les    Praktijkopdrachten    Tweede les  
 

 

  ROC's - Praktijkopdrachten

Kies uit elke categorie (A, B en C) minstens één opdracht.

A. Taalsituaties in kaart brengen.

A.1 Breng (op je stageadres) de taalsituatie van alle kinderen in de groep in kaart
  1. Hoeveel kinderen zitten er in de groep?
  2. De oudste is .. de jongste is .. (in maanden).
  3. Kunnen de kinderen al praten? Kun je ook horen welke taal ze spreken? (Nederlands, Fries, Bildts, anders.....)
  4. Noteer van elk kind apart:
    1. de naam;
    2. de leeftijd (in maanden);
    3. welke talen er thuis gesproken worden (vader, moeder, broertjes en zusjes);
    4. of ze zelf al praten;
    5. maken kinderen opmerkingen zoals: “papa zegt buiten spelen en mem seit bûten boartsje……?”
    6. maak je ook mee dat kinderen Nederlands tegen een Nederlands sprekend persoon en Fries tegen een Fries sprekend persoon spreken?
  5. Noem een paar voorbeelden van wat de kinderen zeggen, en hoe ze praten. Bijvoorbeeld: een 1-woordzin met gebaren: naar het koekje wijzen en zeggen: "koekje!" Of: een 2-woordzin: "ikke koekje!"
  6. Voer met 2 kinderen een kort gesprek, probeer beide keren de kinderen wat te laten vertellen of uitleggen. Maak daar een verslag van.
  7. Leg een paar van bovenstaande vragen voor aan een leidster.

    Welke taal/talen spreken de leidsters zelf?

    Gebruiken ze zelf één of meer talen in het contact met de kinderen? (bijvoorbeeld: spreken ze Fries tegen de hele groep kinderen, in welke taal lezen ze voor, spreken ze tegen alle kinderen dezelfde taal als ze hen naar de wc helpen?

        Vraag ook naar de motivatie van de leidsters: Waarom gebruiken ze één taal, of 
        waarom juist meer talen in het contact met de kinderen?

A.2

Maak een taalkaart van een kind

(een kind op de stageplek, of een kennisje, of een oppaskind, of familie)

Maak eerst een overzicht van de taalsituatie die het kind door de dag en door de week meemaakt. (bijvoorbeeld: vader en moeder FR, buiten spelen NL, naar opa en oma/pake en beppe FR, naar de kinderopvang NL, televisiekijken NL, 's avonds nog even voorlezen FR, broertjes en zusjes FR). Niet raden of zomaar aannemen, maar luisteren en vragen en zoveel mogelijk zelf controleren!
Maak een potcast (met foto's, filmpjes, geluidsfragmenten, tekst), dus een presentatie waarmee je de hele taalkaart van het kind laat zien en horen. Probeer van alle talen die het kind te horen krijgt opnamen te maken.

B. Zelf materiaal maken.

B.1 Vertelplaat maken

- Bekijk een vertelplaat en beoordeel die aan de hand van de volgende vragen:

  • Hoe heet de vertelplaat, past die ook in een serie of thema?
  • Ziet de plaat er interessant uit? Kleuren, vormen, dieren, kinderen en mensen, andere belangrijke zaken uit de belevingswereld van kleintjes.
  • Kun je de kernwoorden er uit halen?
  • Kun je er een verhaaltje bij bedenken?
  • Bedenk een paar vragen die je bij de plaat kunt stellen.

- Maak nu zelf een vertelplaat. Zet de kernwoorden op de achterkant.

B.2 Verzamel spullen voor een thematafel
  • Bedenk een thema.
  • Zoek spulletjes die bij het thema passen (+/- 8).
  • Richt de thematafel in op je stageplek.
  • Voer een gesprekje met één of met een paar kinderen over het thema.

C. Kennis verzamelen over tweetaligheid

C.1

Zoek een artikel over meertaligheid

Zoek een artikel over meertaligheid in de krant of op internet. Een artikel dat je aanspreekt, omdat het vreemd, grappig of interessant is.

C.2

Zoek voorlichtingsmateriaal over meertalig opvoeden

Zoek voorlichtingsmateriaal over meertalig opvoeden op het consultatiebureau, op je stageplek, op internet: www.heitenmem.nl, www.oudersonline.nl.
Bekijk het materiaal en vorm je een mening.

  • Ben je het eens met de inhoud en de adviezen?
  • Is het materiaal duidelijk?
  • Zou je het aan ouders aanbieden?

naar boven